Wat bange Nederlanders kunnen leren van ‘nine-eleven’ New Yorkers

Morgen/zaterdag de presentatie van ons feestelijke boek ‘New York Specials’ over de stad die succesvoller is dan ooit. Een stad die zich herstelde van mega-terroristische aanvallen. Ons boek is zeker ook een eerbetoon aan die herrijzenis. Aan de vooravond van de presentatie van New York Specials het eerste deel van het verhaal van mijn bezoek aan New York net na de aanvallen op 11 september 2001:

Ik vond het na een paar weken toekijken vanuit ‘de provincie’ een absolute vereiste om zelf een bezoek te brengen aan ‘Ground Zero’ in New York. Het was, nogmaals, wel erg gemakkelijk om in alle nuchterheid te oordelen vanuit de verre Nederlandse huiskamer-studio. Stel je voor als ook bij ons de minister-president of een andere hoge autoriteit wekenlang vrijwel dagelijks op televisie vertelt dat een nieuwe terroristische aanslag ‘waarschijnlijk’ is. Geprojecteerd op onze Nederlandse situatie zouden ook hier tal van potentiële doelen voor terroristen te vinden zijn: de vliegvelden Schiphol en Zestienhoven, winkelcentra als Hoog Catherijne, pretparken als De Efteling, de Maasvlakte en meer in zijn algemeenheid alle wegen, tunnels, bruggen, stadions en andere plekken van grootschalig vermaak. Ik ben benieuwd, en eerlijk gezegd twijfel ik er aan, of vlak na een grote aanslag waarbij duizenden doden zijn gevallen en het gevaar nog zo in de lucht zit, wij bijvoorbeeld het Feijenoord of Ajaxstadion vol zouden krijgen voor een belangrijk sportfestijn . De mededeling dat onze minister-president of koningin de aftrap zal nemen nadat robots de tribunes hebben afgezocht en militaire vliegtuigen zijn opgestegen om het luchtruim boven De Kuip te controleren zal hier weinig aan veranderen. Je kunt het toch op tv zien! Ik refereer natuurlijk aan de ‘worldseries’ honkbal die in New York gewoon doorgingen en waarbij Bush onder groot gejuich een slagbal gooide.

In oktober merkte je in hartje New York op het eerste gezicht niet zoveel van de ramp.

Natuurlijk hadden veel mensen weer gewoon hun dagelijkse leven opgepakt. In de winkels brandde de kerstverlichting. Wel zag ik op ‘Times Square’ een reusachtig beeldscherm met opstijgende Amerikaanse militaire vliegtuigen vanaf vliegdekschepen op weg naar Afghanistan en diverse billboards met de bekende kreten als ‘United we stand’ die ik al eerder bij de Holland Tunnel had gezien. In een souvenir-shop kon je voor zes dollar een rol toilet-papier kopen met de beeltenis van Bin Laden er op. Correspondent Marc Guillet van het Algemeen Dagblad had hier in de uren na de ramp ook rondgekeken. ‘Op Times Square omhelzen jonge mensen elkaar. Tranen. Verbijstering. Met afschuw en ongeloof kijken ze naar het elektronisch voorbijflitsende nieuws: ‘Terrorist attacks on our country’. Tegen de gevel van New York University aan de Veertiende Straat hangen studenten grote lappen papier. Voorbijgangers en studenten luchten hun hart. Kreten van verdriet, angst en troost. Life is stronger than death. For all we have lost. Rest In Peace. Do no let this be WAR! Fare thee well, fare thee well, I love you more than words can tell. En You will stand as towers in our hearts.’

Ik besloot vanaf Times Square Broadway af te lopen helemaal naar het zuidelijke puntje waar het rampgebied is.  Hoe verder ik Broadway afliep, hoe meer ik om de paar blokken naar rechts keek. Het leek wel een dia-voorstelling met steeds een ander plaatje. Ik zag meer en meer gestutte gebouwen en uiteindelijk zwartgeblakerde ruïnes. Ik rook zelfs nu nog een brandlucht. Of was het ook een lijkenlucht want slechts zo’n vijfhonderd van de ongeveer drieduizend vermisten waren gevonden? Ik zag grote waterstralen en hier en daar nog een rookpluim.

De puinhoop was onvoorstelbaar. Vierentwintig uur per dag werkten de hulpverleners door. Nu hadden ze mondkapjes voor, maar veertig procent heeft inmiddels last van de mysterieuze ‘WTC-hoest’. Op sommige plekken werden asbest-niveau’s geregistreerd die vijfhonderd keer hoger waren dan doorgaans werd aangetroffen. Nog onbekend is welke schadelijke gevolgen het inademen van zware metalen heeft gehad voor de hulpverleners. De Amerikanen noemen hen de ‘New York Bravest’ en dan weet iedereen over wie het gaat.

Het hele rampgebied is omheind door een houten schutting. Het deed me denken aan de Berlijnse Muur. Op stellages keken mensen er overheen. New Yorkers staan bekend om hun harde humor. Op de houten wand stond met grote letters geschreven: ‘Bin Laden miste ons, maak niet dezelfde fout. Bezoek vanavond nog ons restaurant’. Met een grote witte pijl worden mensen feilloos naar het steak-house gedreven. Het was er inderdaad stampvol.

Als laatste eerbetoon waren veel bloemen en kransen neeergezet bij de vele ‘memorials’. Bij de ‘Trinity Church’ aan de rand van ‘Ground Zero’ hingen veel spandoeken met ‘God bless America’-teksten. Mijn oog trok naar een briefje waarop stond: ‘Beste Kerstman. Het liefste wat ik met Kerstmis wens te krijgen is een autopsie-foto van Bin Laden.’ Zulke wraakzuchtige teksten kwam ik niet vaak tegen. De teneur was die van een religieus patriottisme. Ik zag knielende mensen, veel kinderen ook, bij grote foto’s, ontelbare brandende kaarsjes en grote Amerikaanse vlaggen. Indrukwekkend was iets verderop een enorme hoeveelheid speelgoeddieren met begeleidende briefjes waarop een laatste groet stond of zo maar een hartverwarmende opmerking. Op een tekening van de ramp stond: ‘Ik ben Cindy uit St. Paul, Minneapolis, en ik wil laten weten dat ik niet wil leven in zo’n wereld.’ Er was een pijl getekend naar waar de brandende ‘twin towers’ hadden gestaan.

Marc Guillet schreef over die eerste uren op de rampplek: ‘Brandweertrucks uit de kazerne van Liberty Street, slechts enkele straten verwijderd van de plek des onheils, zijn als eerste ter plaatse. Zonder stil te staan bij het gevaar klimmen brandweermannen de trappen op van het gebouw en beginnen de duizenden werknemers te evacueren. Op de bovenste verdiepingen waar een inferno woedt, doen ze wanhopige pogingen mensen te redden. Velen springen in paniek hun dood tegemoet. Dan stort de betonnen reus in. Veel mensen uit de onderste helft van de wolkenkrabber zijn ontsnapt. De meeste brandweerlieden verliezen hun leven in het neerstortend puin. Bijna 350 van deze helden worden sinds ‘zwarte dinsdag’ vermist. Ze laten een gapend gat achter in het moedige brandweerkorps. De shock, de paniek en de chaos zijn compleet. Maar meteen is er ook hulp. Vluchtende mensen, onder het stof, ondersteunen zwakkere slachtoffers. Opmonterende woorden. Water om de verstikkende rook en as weg te spoelen en bloed weg te wassen. Een schouder om op uit te rusten of uit te huilen. Politie-agenten en ambulancepersoneel, hun ogen opengesperd van verbijstering, bieden eerste hulp. Er komt eeen exodus op gang van tienduizenden mensen die zich lopend uit de voeten maken. Weg van de gruwelijke oorlogszone in ‘down town Manhattan’, waar de ene na de andere wolkenkrabber met donderend geraas instort. New Yorkers die erom bekend staan dat ze kortaf zijn, ongeduldig, afstandelijk, geobsedeerd door geld en carrière maken, tonen plots hun zachte kant. De ruwe bolsters blijken een blanke pit te hebben. En de meedogenloze metropool met zijn moordende concurrentie verandert tijdelijk in een kleine provincieplaats waar iedereen elkaar schijnt te kennen en belangeloos hulp biedt.’

Ik keek nog even achterom waar de twee WTC-reuzen hebben gestaan. Bijna één miljoen vierkante meter aan kantoorruimte, 43.600 ramen en 198 liften. In 52 seconden raasde je naar boven als het tenminste niet waaide want dan konden de gebouwen zo’n drie meter uitwijken en konden de liften vast lopen. Bij de opening in 1973 omschreef gouverneur Nelson Rockefeller het complex als ‘het grootste huwelijk tussen nut en schoonheid.’ Ontwerper Minoru Yamasaki zag in zijn ontwerp vooral ‘de dominantie van vrede over macht’ gesymboliseerd. Wereldhandel droeg volgens hem bij tot wereldvrede. Met ‘macht’ bedoelde hij de grote bankinstellingen en verzekeringsmaatschappijen die nu zouden worden overschaduwd. Maar ik moest nu ik zelf op de rampplek stond ook even terugdenken aan de film ‘Deep Impact’ waarin een, door een meteoor-inslag veroorzaakte, reuze-vloedgolf Manhattan wegvaagde. Toen zag je de torens al instorten. Dat was slechts een van de vele rampenfilms over New York en Amerika waar we nooit meer op dezelfde manier naar kunnen kijken.

Ik kreeg van iemand een tip dat er op pier 94 ter hoogte van de 59ste straat ook een indrukwekkend monument was. Kilometers van de rampplek verwijderd. Ik pakte de bus die mij naar een verlaten gebied bracht. Ik was de laatste passagier en raakte in gesprek met de chauffeur. ‘Heeft u aan het begin van de rit bij Battery Park het politiebureau gezien?’, vroeg hij mij. Hij gaf zelf antwoord. ‘Het is dag en nacht gebarricadeerd. Alle straten in de directe omgeving zjn afgezet. Ze zijn panisch voor een nieuwe aanslag.’ ‘Bent u bang?’, vroeg ik. ‘Ja’, zei hij kort. Hij was een stevige, jonge vent met het lichaam van een bokser. ‘Bij mij op de sportschool is iedereen overgeschakeld naar gevechtstechnieken. Mannen en vrouwen.’ Ik begreep het. Niet dat het iets hielp maar het gaf toch een goed gevoel. Hij knikte. Na een lange stilte zei hij: ‘Het zal heel erg worden.’ ‘U bedoelt nog meer antrax?’ ‘Nee, erger’. ‘U bedoelt biologische wapens?’ Alweer een afgemeten, ontkennend antwoord. Ik had niet zoveel mogelijkheden meer. ‘U denkt misschien aan nucleaire koffertjes?’, opperde ik maar.  ‘Nee, aan het einde van de rit zal ik het u vertellen.’ We zwegen weer. Bij het eindpunt gaf hij mij een briefje. ‘U bepaalt zelf uw leven. Ik ben maar een eenvoudige buschauffeur maar ik weet meer dan heel veel mensen. Maar velen voelen het naderende onheil. Ik spreek er met zoveel mensen over. Binnenkort zal twee-derde van de wereldbevolking sterven. Dit zijn de eerste tekenen. Het begin van het begin van het einde. Als u meer wilt weten ga dan morgen naar het adres dat ik heb opgeschreven. In ons gebouw wordt u ontvangen door iemand die u de tekenen van de ondergang zal laten zien.’

Ik stapte maar gauw uit. Ik had geen zin in zo’n sekte waarin de naderende Apocalyps wordt verkondigd. Hoe bijzonder eigenlijk in zo’n optimistisch land als Amerika dat vele duizenden, ook aanhangers van officiële religies, in tijden van wanhoop zo snel denken aan het einde der tijden. Het was het gevoel van velen in de eerste minuten en uren van de tragedie op 11 september, zo was me wel duidelijk geworden.

De meeste reacties op straat en in de media weerspiegelden echter al weer heel gauw ook de grote kracht die in de dynamische Amerikaanse maatschappij zit ingebakken. Een collectieve strijdlust maakte zich meester van de mensen. We laten ons niet kisten. ‘The skyline van New York will rise again’, sprak burgemeester Guliani al weer heel snel.

Er was geen paniek, maar natuurlijk wel angst in die dagen rond 11 september. Later werd het een meer geladen, onderhuidse angst, zo kreeg ik sterk de indruk. En tergelijkertijd ook een enorme onderlinge solidariteit. Veel Amerikanen kregen het idee dat ze hun land weer herontdekten. Vandaar ook die vloedgolf van patriottisme. Benjamin Disraeli heeft eens gezegd: ‘Patriottisme hangt net zoveel af van gemeenschappelijk succes als van gemeenschappelijk lijden, en het is door die gemeenschappelijke ervaring van alle zegeningen en gevoelens dat een groots nationaal karakter ontstaat.’ Amerikanen zeiden het hem in de herfst van 2001 graag na. Ik zag een New York Times waarin melding werd gemaakt van een vrouw die trots vertelde dat ze zojuist met de hele straat haar huis rood-wit en blauw had geschilderd. ‘Ik ben zo trots om een Amerikaan te zijn’, sprak ze tegenover de journalist. ‘Het is tijd om de natie te omhelzen.’

Bij pier 94 zag ik aanvankelijk niemand in de schemer. Hier moest een crisis-centrum staan waar alleen de nabestaanden naar binnen mochten en waar de ‘dodencertificaten’ konden worden opgehaald. Het was koud zo tussen het water en er was een flinke bries opgestoken. Iets verderop was de vuilstortplaats van New York. Dit was duidelijk een plek waar geen toeristen kwamen. Het enige vrolijke waren de Amerikaanse vlaggetjes en de speelgoedberen die aan de vele geparkeerde vuilniswagens waren vastgebonden. Voor de rest was het er stil en zelfs een beetje luguber.

De pier werd bewaakt door een paar agenten. Ze lieten me binnen en ik zag een enorme wand met foto’s van de vermisten van het WTC. Aan het eind ervan was een tent van het Rode Kruis om nabestaanden te troosten en andere acute hulp te bieden. Het was natuurlijk niet te bevatten wat je daar aantreft. Ik zag een foto met de oproep van een familie of iemand de oudste zoon had gezien. Je kon dag en nacht bellen met een tip naar wel tien verschillende nummers. ‘Carlos’ werkte op de het dakterras van het WTC: de ‘windows of the world’. Kansloos natuurlijk, maar hoop, zelfs een sprankje, doet leven. Er waren duizenden van die vaak hele persoonlijke oproepen op de wand bevestigd.

Plotseling verscheen een mevrouw die op allerlei plaatsen foto’s ophing. Zij bleek de moeder van de vermiste Judith Diaz te zijn, die werkte als administratief medewerkster op de negentigste etage van de tweede toren van het WTC. Het gebouw heeft dus nog een klein uur overeind gestaan na de aanslag. Judy was pas getrouwd en twee maanden in verwachting. Ze heeft een heel lief koppie op de foto. Een knappe meid in trouwkleding. Haar man heeft haar nog gebeld en gezegd dat ze niet door de rook en het vuur naar het dak moest gaan. Judy had het over helikopters die haar konden bevrijden. Beter kon ze naar beneden gaan via de brandtrap. Haar wanhopige moeder vertelde mij dat diverse collega’s van haar afdeling het gered hebben. Ze hebben Judy nog achter zich zien lopen. Maar net buitengekomen zagen ze ook dat het gebouw in elkaar stortte. ‘Toch heb ik nog hoop. Vorige week is in Ohio in een ziekenhuis ook weer een gewonde ontdekt uit het WTC. Ze zijn overal naar toegebracht. In dit land wordt niet alles even goed geregistreerd. Misschien heeft ze wel geheugenverlies en weet ze niet dat wij bij haar horen. Sinds 11 september is mijn leven verwoest. Ik ben er iedere minuut van de dag mee bezig. Ik heb tientallen ziekenhuizen gebeld.’ Ze vroeg wat ik deed in het dagelijks leven en toen ik haar het een en ander vertelde, vroeg ze of ik ‘alsjeblieft’ in Nederland de naam van Judy wil noemen. Je kunt nooit weten immers. Ik vertelde haar maar niet dat zoiets natuurlijk geen enkele zin had. Wel zei ik dat Nederland maar een heel klein land is in het verre Europa.

De volgende dag zou ik, toen ik de wand bij ‘Trinity Church’ voor een tweede keer bezocht, weer dezelfde foto van Judy ontdekken. Haar moeder trok blijkbaar niet alleen steeds van ziekenhuis naar ziekenhuis maar ook van gedenkplaats naar gedenkplaats. Mijn oog viel op de zin onder de foto van Judy: ‘Reageer alstublieft. Haar man, haar ouders, haar vele vrienden en familieleden wachten in grote bezorgdheid om haar lach weer te kunnen horen.’ Later zou ik in de New York Times lezen dat haar man haar beschreef als ‘wat gesloten’ en ‘met een hart van goud.’ Haar hartsvriendin, Emerita de la Pena, werkte op dezelfde etage. Een collega vertelde in de krant dat hij op de dag van de aanslag de beide dames nog gezien had. Ze hielden een deur voor hem open. Judy’s man Ron is op de ochtend van de elfde onmiddellijk naar Manhattan gereden, maar hij kwam niet verder dan de ‘Brooklyn Bridge’. Toen hij al die met roet bedekte mensen zag lopen vanaf Manhattan hoopte hij vurig dat Judy en Emerita tussen de duizenden zouden zijn die de brug overstaken.

Als je zulke gesprekjes voert en je hebt ook de beelden erbij dringt de dramatiek van de elfde september meer door. Steeds hoor je in New York dezelfde verhalen: over angst, moed, vaderlandsliefde en toch ook geluk, want omdat de ‘twin towers’ nog enige tijd overeind hebben gestaan konden wel zo’n twintigduizend mensen ontsnappen. Het had dus nog erger kunnen zijn. Als ik alle foto’s van vermisten zie, ontdek ik de kleuren van de regenboog. Meer dan zestig nationaliteiten zijn getroffen.

Natuurlijk, rampen zijn er aan de lopende band. Het vele leed bijvoorbeeld veroorzaakt door allerlei plaatselijke, etnische conflicten in Afrika vindt regelmatig op veel grotere schaal plaats. Maar de aanval op het WTC was in ieder geval ook uniek omdat die het gevoel gaf dat het ook een aanval op de mondiale beschaving was. Op u en op mij en dat maakt de dreiging voor ons allen veel groter. Een New Yorkse agent vertelde mij: ‘Hier in Manhattan zitten we als ratten in de val. Als dit kon gebeuren, is er een hele grote kans op een tweede keer. Waarom niet? De duizenden terroristen die ons zo haten beschikken over de meest afgrijselijke chemische en biologische wapens, misschien zelfs wel nucleaire. We waren naïef en het enige winstpunt is dat we dat nooit meer zullen zijn.’ Als Amerika in het hart kan worden geraakt, wie is er dan nog veilig?

Op de elfde september was de wereld voor even echt een ‘global village’geworden. Ook in Nederland waren er ongetwijfeld velen die zich die dag New Yorkers voelden. De Amerikaanse ambassade in Den Haag werd meteen bedolven onder de bloemen en andere steunbetuigingen. Er werd zelfs geld ingezameld. De mensen wilden iets doen. Toen kort na de aanslagen in Amerika ook in ons land een terroristische dreiging kwam bij een aantal auto-tunnels konden we opeens enigszins begrijpen wat de Amerikanen hadden doorgemaakt. In ons land zagen we plotseling on-Nederlandse beelden van sluipschutters, barricades en tanks bij de ingang van die tunnels. Even konden ook wij invoelen wat de dreiging van terroristen teweeg kan brengen…

Posted in Laatste nieuws.